






















Beer is mijn grote broer.
Hij kan heel hoog springen.

Hij kan tellen en schrijven en heel mooi zingen.

Hij kan alles laten draaien, heel knap.
Kijk maar.

In de supermarkt kan hij heel hard gillen.

Een mevrouw vond dat raar.

Ik zeg haar dat het juist knap is en dat ik ook hard kan gillen.
Dan begrijpt ze het vast wel.

Ik speel graag met mijn broer Beer samen.
Ik vind het niet erg dat hij dat niet kan.

Hij kan mij de cijfers en letters leren.
Ik kan hem leren met poppen te spelen.

En kietelen, dat vindt hij ook heel leuk.

Later als ik groot ben neem ik hem mee.
Ik laat hem de wereld zien zoals ik hem zie.
Mijn grote broer Beer is mijn kleine broer en ik ben dan zijn grote zus.
Dan leer ik hem wat hij mij heeft geleerd en dat is dat iedereen uniek
en bijzonder is.

Dankjewel lieve Beer.
Uit: Mijn broertje Beer













